‘Nadeel: op de camping kun je niet doen alsof je niet thuis bent’

Afbeelding: De Limburger/Stefan Koopmans

COLUMN - Mijn schoonzus appte foto’s van haar vakantie op een Italiaanse camping, en ik realiseerde me weer eens wat voor ongelooflijke hekel ik heb aan het campingleven.

Dat komt, geef ik meteen toe, omdat ik onhandig ben, om het eens voorzichtig uit te drukken.

Ik zie nog de verbijsterde blik voor me van vrienden die me op een festivalcamping een tent zagen opzetten, met de motorische fijngevoeligheid van een hooligan op vioolles. Nog steeds hoor ik ook de smalende reacties bij het openen van mijn zakje met tentharingen: de helft bleek na de vorige editie van het festival verdwenen (uit de ongevraagde evaluatie: "Na het afbreken doe je die gewoon terug in dat zakje, hoe moeilijk kan dat zijn?"), de andere helft bleek kromgeslagen.

Maar dat is niet de enige reden. Op één van die foto’s zag ik het uitzicht vanuit de tent van mijn schoonfamilie. Dat uitzicht was de tent van de overburen. Sterker: ik zag de kinderen van die overburen ín die tent zitten, verveeld starend naar hun iPad.

Op weinig plekken is de confrontatie met je medemens zo dwingend als op een camping. Je hoort ze wakker worden, met wat pech hoor je ze zelfs slapen, je ziet ze met die rol roze wc-papier naar het sanitairblok lopen, je staat naast ze bij de afwas. En als het types zijn die graag onophoudelijk contact leggen met andere mensen - en die zijn goed vertegenwoordigd op een camping -, dan zit je vast aan de keuvelklets, want een ander groot nadeel van een camping is dat je nooit kunt doen alsof je niet thuis bent of het druk hebt.

Het zag er ook bloedheet uit op die vakantiefoto’s. De laatste weken realiseer ik me steeds vaker dat je die mensheid uiteindelijk kunt verdelen in slechts twee categorieën: zonaanbidders en zonmijders. Je hebt mensen die vorige week in de krant lazen dat de hittegolf nog niet was begonnen maar er nu pas aankomt, en die toen breed grijnsden, en je hebt mensen die toen diep zuchtten.

Ik ben rossig noch zonne-allergisch noch zwaarlijvig, dus heb lichamelijk geen bovengemiddelde reden om de zon te mijden, behalve dan het feit dat ik kaal ben, maar voor kale mensen in de zon is er de pet. En toch hoor ik bij de zuchters. Ik had ooit een zonne-aanbidster als vriendin, en zonder hier nou een botsing der beschavingen van te willen maken: het is in de praktijk tamelijk onhandig als je met z’n tweeën bent en op ieder terras wil een van de twee die plek in de schaduw en de ander die plek in de zon. Of bij gebrek aan schaduw: de ene die plek binnen en de andere die plek buiten. Er bleek ook nauwelijks een compromis mogelijk: er bestaat geen beetje schaduw, noch een halve zon. Kreeg zij haar zin, dan was ik tegen mijn zin rood, krijg ik mijn zin, dan was zij ongewenst wit.

Ik zit momenteel in een symbiotisch zonmijdende relatie. Als u de komende weken twee spoken voor uw zonnige terrasstoel ziet opdoemen: vrees niet, wij zijn niet uit op uw plek.

Door Leon Verdonschot