Lifestyle

‘Toen zei hij dat iedereen een plaat moest kopen’

Afbeelding: De Limburger

COLUMN - Naast de videotheken, en vooruit: de sexshops, nog een verdwijnende plek waar ik onvergetelijke uren van mijn leven heb rondgebracht: de platenzaak.

Venlo heeft gelukkig nog Sounds, Sittard Music Machine en Heerlen Satisfaction, maar de recente geschiedenis van de platenzaak is in Nederland net als in de rest van de wereld een verzameling overlijdensberichten.

In Maastricht kwam er, dwars tegen die geschiedenis in, de laatste jaren een bíj: Kinsum Records. Die verkoopt ook nog wat cd’s, maar vooral vinyl, want platen zijn inmiddels populairder dan cd’s. Een strip aan de wand van de winkel herinnert aan de wispelturige golfbeweging van geluidsdragers: in 1964 kochten mensen vinyl, in 1967 tape, in 1972 cassettebandjes, in 1975 cd’s, in 2005 mp3’s, en sinds 2014 weer vinyl. Ik ken mensen die al hun platen ooit de deur uit deden toen ze een cd-speler kochten, en nu al hun favoriete platen weer aan het terugkopen zijn, voor veel meer geld. Het bevestigt mijn overtuiging dat je nooit iets moet weggooien.

Donderdagmiddag speelde voor het eerst een band in de platenwinkel: Therapy?. Een grote band in een kleine shop, het was dus al vroeg druk. Terwijl Lenny Kravitz door de winkel schalde, wachtten fans in de winkel op de band, die ’s avonds in een volle Muziekgieterij zou spelen. In Limburg is iedereen altijd te laat, maar nu vroegen mensen vanaf één uur hoe laat de band, die om half twee zou spelen, eindelijk zou arriveren.

Therapy? was halverwege de jaren negentig een héél grote band, en de bandleden krijgen dan ook al 20 jaar in ieder interview de vraag hoe het is om ooit een heel grote band te zijn geweest. Misschien is het hun Ierse afkomst, maar de bandleden van Therapy? lijken meer bezig met muziek dan met status. Toen mijn radioprogramma tien jaar bestond, was de zanger, Andy Cairns, te gast in de jubileumuitzending.

Hij vertelde dat hij was verhuisd naar een wat chiquere gezinswijk. In zijn nieuwe, nog niet ingerichte huis werkte hij aan een nieuw nummer. Hij had aan het begin van de avond één zin: “If it kills me”. Aan het eind van de nacht had hij nog steeds alleen die uren lang zo hard mogelijk herhaalde zin, maar ook een enorme verzameling lege flessen drank om zich heen verzameld in de lege woonkamer, waar hij in slaap was gevallen. Omdat zijn gezin thuis zou komen, liep hij ’s ochtends in zijn badjas naar de glascontainer op de hoek van zijn nieuwe straat. Terwijl hij gehurkt bij de container zat om de flessen te verzamelen, keek hij op en zag hij dat het waarschijnlijk keurigste gezin van de wijk naar hun nieuwe buurtbewoner stond te kijken. De vader zei: “Musician, I presume?”

Iets na half twee kwam de taxi voorrijden met de drie bandleden erin. Ze wurmden zich door hun fans naar de achterkant van de winkel en soundcheckten. De muziek ging uit, Lenny zweeg. Iedereen in de winkel was stil, waardoor dit moment opeens iets plechtigs kreeg. Ik moest denken aan de eerste keer in mijn leven dat ik de Janse Bagge Bend zag, in een (uiteraard) feesttent in Sweikhuizen. Toen ik binnen kwam, was de band al bezig, en het publiek extreem lauw, tot mijn teleurstelling. Het duurde even voor ik door had dat ik niet te laat, maar veel te vroeg was: dit was de soundcheck. Een half uur later kwam de band op, speelden hetzelfde nummer, en nu zong de hele tent mee. De afspraak van de soundcheck: ga uw gang, doe maar net of wij er niet zijn, dan doen wij dat ook.

Andy Cairns verbrak de stilte door alle aanwezigen, die straalden als uitverkorenen, welkom te heten. Ze speelden twee nieuwe en drie oude nummers, en Andy verontschuldigde zich omdat dat zijn Nederlands heel slecht is. “En wij zijn Iers, dus ons Engels ook.”

Toen zei hij dat iedereen een plaat moest kopen. Nee, beter nog: twee exemplaren, van iedere plaat.

Door Leon Verdonschot