Lifestyle

‘De term ‘rondneuken’ bestond nog niet, maar niemand hoefde medelijden te hebben’

COLUMN - Woensdagavond stond een klassieke Cadillac op de Rijksweg in Geleen, voor de plek waar ooit de bioscoop lag.

Dat Roxy Theater is al vele jaren dicht. Maar woensdagavond was de zaal weer open, voor de première van de FOX Sports-documentaire Fortuna ’54, pioniers van het betaald voetbal. Ik was benieuwd naar de film, maar minstens zo benieuwd hoe de oude bioscoop er in 2019 bij ligt. De andere mensen die over de rode loper langs de Cadillac schuifelden leken eveneens net zozeer voor de zaal als voor de film te komen. Al bij de kaartjescontrole werd ons duidelijk wat er van het Roxy Theater over was. Niets.

Toen ik in Utrecht jaren geleden mijn droomhuis kocht, een heel rauw, industrieel huis met stalen muren en plafonds die niet gestuukt waren, vatte mijn makelaar dat als volgt samen: „Feitelijk koop je nu gewoon een afgebrande hal”. Wat de afgebrande hal in Utrecht en die in Geleen met elkaar hadden, was de schoonheid van verval. De Rijksweg in Geleen bleek hier haar eigen mini-Berlijn te verstoppen.

Ik hoorde mensen op de plastic stoeltjes om me heen herinneringen ophalen aan hun avonden in de Roxy. Net als ik hadden ze hier films gezien die ze nog steeds koesteren, in mijn geval bijvoorbeeld the Empire Strikes Back en de ultieme kerstfilm, Die Hard. En films waarvan ik me veel moeilijker kan voorstellen waarom ik toen zo leuk vond. Police Academy 1, 2, 3, 4, 5 en 6, bijvoorbeeld.

Er speelde een coverband, en er waren inleidende interviews, onder meer met Koos Snijders, een man die zo ongeveer zijn leven wijdt aan de historie van Fortuna. Er was maar ruimte voor een paar vragen, een tijd die volstrekt tekort schoot voor alles dat Snijders had willen vertellen. Ik denk dat Snijders het liefst nu nog steeds op dat podium zou staan, om nog één laatste anekdote te vertellen, of gewoon nog een keer die ene over die novemberdag in 1961 waarop Fortuna ’54 in Amsterdam tegen Ajax van een 3-0 een 3-4 maakte.

Goed beschouwd zaten we in een bioscoop die niet meer bestond te luisteren naar verhalen over tijden die ook niet meer bestaan. En toch was het een mooie avond. Misschien juist daarom. Of vanwege de wetenschap dat het enthousiasme van zo’n Snijders voor iedereen moet hebben gegolden die deze avond had georganiseerd. Ik wil me niet eens probéren voor te stellen hoeveel werk alleen al de vergunningen moeten zijn geweest.

De film kon nu bijna beginnen. Eerst het clublied nog. Dat kan alleen Fortuna / Zo’n club is er maar één / Het zijn de stoere knapen / Van de wereldstad Geleen. Het bleek uiteindelijk een romantische film. Over een eigenwijze bouwondernemer die zijn eigen club oprichtte, dwars tegen de bestaande machtsstructuren in. Over de eerste training, in het geheim achter de gesloten hekken van het Burgemeester Damenpark. Jean Nelissen kwam aan het woord. Hij was er geweest, bij die training. Uiteraard. Hij vertelde het als een klassiek Jean Nelissen-verhaal: eigenlijk te mooi om waar te zijn, maar ook te mooi om dat echt te willen weten.

Er werd hard gelachen toen over het geld ging. Want die eerste generatie profvoetballers, die verdiende helemaal niks. Eén had het over 1500 gulden. Per jaar. De andere over 17,50 per punt.

Minstens zo grappig waren de verhalen over de spelers van Fortuna ’54 en de vrouwen van Geleen. Die werden namelijk niet verteld, maar zat wel verstopt in iedere glimlach en in ieder pretoogje. De term ‘rondneuken’ bestond in de jaren ’50 nog niet. Maar duidelijk was dat niemand in deze nieuwe oude bioscoop medelijden hoefde te hebben met de spelers, ondanks hun 17,50 per punt.