'Weet je hoe bevrijdend het is om het gras in rechte banen kort te wieken?'

Afbeelding: Peter Schols

BLOG - Grasmaaien. Er is geen huishoudelijk klusje dat ik leuker vind. Een fancy zitmaaier, een bosmaaier, handgrasmaaier, zelfs een kantjesknipper; zolang het geen robotmaaier is, vind ik het goed.

Weet je hoe bevrijdend het is om het gras in rechte banen kort te wieken? Heerlijk ook dat je meteen ziet welk stuk je gehad hebt. Dat mensen anderen betalen om hun groene tapijt te coifferen, is voor mij ondenkbaar. Nee, aan mij is een graskapper verloren gegaan.  

Die sterke band met grasmaaiers is er niet voor niks. Als tiener werd mij de toegang tot de grasmaaier ontzegd. Daar had mijn vader zo zijn redenen voor. 1: Ik was te licht met als gevolg dat de zitmaaier afsloeg, en 2: ik had hooikoorts. Legitieme redenen, zou je denken. Wat alleen gek was, mijn broertje voldeed aan dezelfde criteria en hij mocht wél iedere week het gazon kappen. Daar mocht ik dan weer niet over zeuren. Mijn broertje had immers niet de linkerflank van de Mitsubishi Galant aan gort gereden bij het achteruit parkeren.

Tuinloos
Zoals ik ben, gehoorzaamde ik mijn vader. Ooit zou ik hem laten zien dat ik over prima grasmaaierkwaliteiten beschik. Lang was ik ongewenst tuinloos, maar inmiddels hebben de vriend en ik een aardige tuin met een evenzo aardig gazon. Vanaf de eerste week heb ik mij de handgrasmaaier toegeëigend. Hooikoorts of niet.

Ook zaterdag was ik er helemaal klaar voor. Zo fris als een glas cola toog ik, bewapend met een zonnebril en een familypack papieren zakdoekjes, naar de schuur. Ik haalde de grasmaaier van stal, liep naar het grastapijt, gaf een ruk aan het koord en begon te maaien. Nadat ik twee keer de zak én mijn neus had geleegd, startte het ding niet meer. Ik probeer het nog een keer. En nog een keer. Maar niks.

Toen ik tussen al dat gras mijn verstand weer had gevonden, bedacht ik dat de benzine wel eens op kon zijn. Ik liep naar de schuur, pakte een jerrycan benzine en een trechter en liep terug naar het defecte vehicle. Ik draaide het dopje van de tank en goot de substantie in het gat. Een kleine tank, want meteen kwam de benzine naar boven.

Een paar keer gaf ik een ruk aan de slinger. Zonder succes. „Hij doet het nog steeds niet”, zei ik tegen de vriend.

„Hoezo, hij doet het niet?”, antwoordde hij.

„Ja, wat ik zeg.”

De vriend liep naar me toe. Al op 25 meter zag ik de stoom uit zijn oren komen. Ik onderdrukte de behoefte een grapje te maken, zo van: is er nog iets waar stoom uit komt.

„Waar heb je die benzine ingegooid?”

„Hier”, en ik wees naar de dop met het icoontje van een gieter en een druppeltje.

De vriend etaleerde alle scheldwoorden die hij kent. Lang verhaal kort: ik had de olie bijgevuld, maar dan met benzine.

Het pleidooi om mijn stupide gedrag goed te praten (‘Ik heb nooit de kans gehad om grasmaaierfouten te maken’) maakte weinig indruk. Het ding was kapot. En dat was mijn schuld. Met gebogen hoofd verliet ik de arena. Eentje die voor de helft was gemaaid.

Zes uur later had superman de grasmaaier gemaakt en betrad ik de arena opnieuw. Tien minuten later reed ik een stroomkabel aan gort.

Nu heb ik een grasmaaierverbod.

Door Kristel Schreurs