Een oneindige bevlogenheid: Freek de Jonge wil overal kunst van maken.

COLUMN - Een paar jaar geleden was ik bij de première van een documentaire over Lee Towers. In de film hadden we Lee Towers veel moppen horen tappen.

Goed waren ze niet allemaal, maar ook de moppen bracht Lee Towers als een performer: wanneer iemand niet lachte herhaalde hij de clou, alsof de toehoorder de mop misschien niet had begrépen. Na de film kreeg de aanwezige Lee Towers zelf het woord. Hij ging gewoon door met moppen tappen.

Woensdag was Freek de Jonge in Maastricht. Niet in het Theater aan het Vrijthof, maar in filmhuis Lumière, waar een documentaire over zijn leven werd vertoond. Zijn vrouw Hella was er ook bij, evenals de regisseur. In de film toonde Freek de Jonge zich een man die leeft voor zijn kunst. Een minder vriendelijke formulering zou zijn: die vooral leeft voor Freek de Jonge. Toch heeft de eerste formulering mijn voorkeur.

Toen de laatste roman van mijn vriend Alex Boogers werd gepresenteerd in een Rotterdams jazzcafé, stond Freek, een groot liefhebber van Alex’ werk, in de zaal. Ik presenteerde de avond, en wilde nét de afsluitende zangeres aankondigen, toen Freek vanuit de zaal riep dat hij graag nog toch nog éven iets wilde zeggen over Alex. Een podium zien en er dan niet op gaan staan; dat leek geen optie. Precies dat zei hij dan ook als eerste: dat hij op zijn leeftijd nou eenmaal iedere kans grijpt om nog een keer het podium te beklimmen. Daarna las hij een passage uit Alex’ roman voor, en een liedtekst van zichzelf. Je zou het ijdel kunnen noemen. Maar het is ook van een oneindige bevlogenheid: Freek de Jonge wil overal kunst van maken. Ik liep samen met hem naar buiten, en hij wees op zijn auto. Helemaal volgestouwd met spullen: Hella en hij reden vanuit Rotterdam meteen door naar Zeeland, waar hij de dag erna zou optreden. Onvermoeibaar.

In de documentaire zat een scène waar Hella en hij op een culturele markt in Groningen reclame maken voor hun naderende eigen tentoonstelling in het Groninger Museum. De belangstelling voor de twee is gering: iedereen loopt ze voorbij. Als een voorbijlopende man toch even halt houdt, vraagt Freek of de man misschien benieuwd is wat Freek en Hella hier doen. Eigenlijk niet, antwoordt hij, en loopt door. Het is pijnlijk, het is tragisch, maar het is ook mooi. Kunstenaar zoekt publiek, en bij gebrek aan publiek blijft hij toch gewoon kunst maken, omwille van de kunst.

Het Maastrichtse publiek mocht Freek en Hella vragen stellen. Waarom Freek zich zo lang zo intiem had laten volgen door een filmmaker, was de eerste. ‘IJdelheid,’ antwoordde Freek. Wat hij hoopte dat zijn nalatenschap zou zijn. Freek was zelf tijdens de vertoning van de documentaire in een andere zaal naar een andere film geweest: Yesterday, over een jongen die alle liedjes van de Beatles kent, terwijl de rest van de wereldbevolking nog nooit van de band heeft gehoord. De jongen heeft er heel veel succes mee. Freek vond het ontnuchterend. Zovéél moois achtergelaten als de Beatles, en dat leverde dan jaren later zo’n pover verhaaltje op, waarin het weer draait om succes. Hij schudde met zijn hoofd.

In de documentaire kreeg hij van collega Herman Finkers de vraag waarom hij niet eens een jaar was gestopt met voorstellingen maken. Freek liet meteen de term ‘zwart gat’ vallen. Een bezoeker in Maastricht ging er op door. Wat was nou precies zo eng aan dat zwarte gat? Freek zei: ‘Daar word je in opgeslokt, en dan ben je weg.’

Soms zitten alle verklaringen in één antwoord.

Door Leon Verdonschot