‘Ik heb nog nooit een André Rieu-fan in een plantenbak zien kotsen’

Afbeelding: De Limburger

COLUMN - Zaterdagmiddag fietste ik door Maastricht toen net een grote groep toeristen uit een bus werd losgelaten en de vrijheid vierde zoals toeristen dat altijd doen: door zonder te kijken de straat over te steken. Kudde op zoek naar drinkplaats.

Ik fietste door, terwijl ik hard en herhaaldelijk mijn fietsbel liet ringelen. Vanaf de bagagedrager hoorde ik de stem der rede, niet toevallig ook de stem van mijn vriendin: ‘Hé, we wonen niet meer in Amsterdam’.

Ze had gelijk. In tien jaar Amsterdam is mijn spiergeheugen verplaatst van mijn voet naar mijn linkerhand: de bel heeft het gewonnen van de rem. Niet dat ik nóóit meer remde, maar wel pas wanneer het echt niet anders kon, zoals bij die toerist met een hoodie over zijn hoofd die bij het geluid van mijn fietsbel niet verschrikt naast of achter zich keek, maar naar bóven. Voor mensen die denken dat het geluid van een fietsbel de terugkeer van Jezus inluidt, remde ik wel nog. Uit Amsterdam vertrekken betekent ook voor een deel: onthufteren.

Mirakel met de viool

De toeristen uit de bus waren uiteraard onderweg naar het mirakel met de viool. André Rieu heeft een welvarend, wat ouder publiek. Ik hoorde in een week tot drie keer toe mensen klagen over dat publiek. De klachtenregen spetterde alle kanten op, maar het kwam neer op: te veel, te langzaam, naast elkaar slenterend door de stad, op weg naar het Vrijthof, dat tijdens zijn concerten ook al niet meer begaanbaar is voor gewone mensen.

Het gevoel dat toerisme een soort sprinkhanenplaag is die een stad leegvreet en verder trekt, dat komt me bekend voor: in Amsterdam worden toeristen nog net niet met opzet omver gefietst, maar veel scheelt het soms niet. Toch heb ik liever dertig André Rieu-fans voor mijn deur dan drie Engelsen op de strooptocht die vrijgezellenfeest heet. Rieu-fans lopen misschien niet heel snel meer, maar ze lópen wel, en dat is toch echt iets anders dan zwalken. En ik heb nog nooit een Rieu-fan tegen een kerk zien staan plassen, in een plantenbak zien kotsen, of lallend op een bierfiets al het verkeer zien hinderen.

Trots

Bovendien komen Rieu-fans om de grootste internationale ster van onze provincie te zien schitteren in zijn eigen stad, en om die stad te bewonderen. Dat zou geen ergernis moeten oproepen, maar juist trots, net als Rieu zelf, een wereldster die nooit is vergeten waar hij vandaan komt. Zo vanzelfsprekend is dat niet: Beyoncé speelt echt niet ieder jaar in haar geboortestad Houston.

Ik moest hier aan denken toen ik deze week in Hilversum was en de borden zag hangen rondom het Mediapark, waarmee Maastricht probeert het Songfestival binnen te halen. Het 188 pagina’s dikke bidbook had ik toen nog niet eens gezien. Een paar jaar geleden was ik in het gemeentehuis van Eindhoven op de dag dat die stad zeker wist uitgeroepen te worden tot Culturele Hoofdstad. Nou goed, vooruit: Maastricht had ook nog een kleine kansje, voor de vorm, en uit een soort solidariteit met de andere zuiderlingen.

Verdrietig gezicht

Maar op zich was het helder: Eindhoven zou het worden, immers de slimste stad van het land. Het werd Leeuwarden. Sindsdien weet ik dat teleurgestelde kínderen een verdrietig gezicht zijn, maar dat ze nog bleek afsteken bij volwassenen die zich ten onrechte rijk hebben gerekend.

Ik hoop dat het Maastricht lukt. Ik hoop ook dat als dat zo is, er dan volgend jaar niet meteen wordt geklaagd bij de eerste bus vol Songfestival-toeristen. En ik ga zelf alvast oefenen op opnieuw leren remmen.

Door Leon Verdonschot