‘Elke stad in Nederland blijkt nog minstens een vertrouwde Chinees te hebben’

Leon Verdonschot. Afbeelding: De Limburger

COLUMN - Er hing een haag van groene, witte en rode ballonen om een pand in mijn buurt: eindelijk ging het lang aangekondigde filiaal van een bezorgpizza-keten open. De scooters stonden aan de overkant al naast elkaar geparkeerd, met de warmhouddozen erop gemonteerd.

De keten was net in het nieuws geweest met een campagne rond pizza’s met een nieuwe bodem. Sommige mensen vielen over de campagne, die een beetje de sfeer had van Porky’s Pikante Pretpark uit 1982. Anderen vielen meer over de bodem, omdat die is gemaakt van bloemkolen, en er bestaan mensen die veggiefoob zijn. En als ze al groenten willen, dan zeker niet in hun pizzabodem.

Het was al de tweede ballonnenhaag in korte tijd, want schuin tegenover opende een paar maanden geleden een Chinees bezorgrestaurant, ondanks de teloorgang van de ouderwetse afhaalchinees. Sushi, ooit chic en exclusief, is immers het nieuwe Chinees.

Toen ik een aantal jaren geleden op theatertour ging met Nico Dijkshoorn, was hij heel duidelijk over zijn culinaire plannen: voor iedere show wilde hij eten bij de plaatselijke Chinees. Elke stad in Nederland bleek er nog minstens een te hebben. De vertrouwde Chinees, die nog niet is ver-wokt, met goud aan de muren, rood tapijt op de vloer en Chinese lantaarns aan het plafond, een geplastificeerde menukaart met nummers voor de gerechten, met de leesportefeuille vol oude weekbladen in de wachtruimte, die altijd veel drukker is dan het restaurant zelf.

Het personeel leek soms zelfs te schrikken wanneer duidelijk werd dat Nico en ik de bestelling niet wilden meenemen in plastic bakken met papier eromheen, maar in het restaurant zelf wilden opeten. Bij één van die Chinezen aten we aan een van hun tafels, en toen we anderhalf uur later naar buiten liepen, zei de vrouw achter de balie nog steeds: „Tot ziens, en smakelijk eten.”

Het eerste jaar van de tour hield ik het iedere speelavond vol, maar daarna was ik helemaal klaar met Chinese restaurants, hoe aanstekelijk vrolijk Nico ook kon worden van alle vormen waarin de sierwortels waren gesneden. Al die restaurants hadden vergelijkbare namen: China Town, China Palace, Peking, De Lange Muur, Lotus. Ik was benieuwd hoe dit nieuwe Chinese restaurant zou gaan heten. Bij de opening hingen er alleen bordjes met de tekst ‘Chinees restaurant’. Na een tijdje kwam er een vlag bij, met dezelfde tekst. Had ik de eer te wonen in de buurt van het eerste naamloze Chinese restaurant van het land? Of luidde de naam van het Chinees Restaurant ‘Chinees Restaurant’, bij wijze van lolligheid? In Almere reed ik ooit langs een laminaatspecialist die ‘Plint Eastwood’ heette, sindsdien houd ik álles voor mogelijk. Pas op de site zag ik dat de naam al die tijd verborgen zat in de omschrijving: het restaurant bleek ‘Chi’ te heten.

Ik zou ze graag veel drukte wensen, maar doe het toch maar niet. Een paar meter verderop lag tot voor enige tijd geleden een veganistisch Aziatisch restaurant. Ik kwam er graag, maar zat er angstvallig vaak in mijn eentje. Het voordeel van enig kind zijn is dat je het altijd en overal blíjft: ik vind het nooit vervelend voor mezelf om ergens alleen te zijn. Maar wel voor anderen: ik gunde de eigenaren, uitzonderlijk lieve mensen, veel meer dan een uitgestorven restaurant.

Op een zaterdagavond liep ik er opnieuw binnen, en toen bleek het restaurant opeens tot de laatste tafel bezet. De eigenaar rende in totale paniek bezweet langs de tafels, liet bestek uit zijn handen vallen en struikelde twee keer. Niet veel later was de zaak opeens gesloten. Sindsdien gun ik ieder restaurant maximaal de drukte die het aankan.

Door Leon Verdonschot