Gelukkig hoeven we niet naar Maastricht

Afbeelding: Peter Schols

BLOG - Terwijl songfestivaldwepers en lokale chauvinisten wachten op de uitslag die vertelt waar het songfestival plaatsvindt, zijn de vriend en ik in het ziekenhuis voor een andere belangrijke uitslag.

„En, hebben jullie een voorkeur?”, vraagt de verloskundige terwijl ze gel aanbrengt op mijn blote, witte buik. Zometeen zal ze met een douchekop mijn buik doorzoeken naar het geslacht van onze baby.

Of we een voorkeur hebben. De meeste moeders mijmeren bij zo’n vraag iets als ‘Nee hoor, als het maar gezond is’ of, correcter, ‘Nee, we zijn blij dat we een kindje krijgen’.

Ik niet.

Natuurlijk hoop ik dat ons kindje gezond is; dat het ademt, beweegt, dat alles erop en eraan zit. Ik hoop het meer nog dan iets anders. Ik zal er dan ook alles aan doen om eventuele gezondheidsrisico’s te beperken. Ook als dat betekent dat ik beter niet kan ontbijten met melkchocolade van de Lidl.

Maar de verloskundige vraagt niet of ik een gezond kind wil. Ze vraagt of mijn voorkeur uitgaat naar een meisje of een jongen.

„Een jongetje”, zeg ik. Omdat ik de behoefte voel deze voorkeur nader te verklaren zeg ik dat ik me niet kan voorstellen dat er een meisje in mijn buik groeit. Bovendien heb ik al minstens vijf keer gedroomd dat we een jongetje krijgen.

De verloskundige neemt genoegen met mijn antwoord. Daar ben ik blij om. Ik vind het moeilijk om te vertellen waarom een jongen mijn voorkeur heeft. Dat ik zelf geen meisje-meisje ben en niet weet hoe ik haren moet vlechten, is bijzaak. Want de echte reden? Dat is angst. Hoe moet ik reageren als ze, net zestien, verkondigt dat ze liever een nose-job wil dan een rijbewijs? Als ze, amper achttien, verliefd wordt op iemand van twintig jaar ouder met drie kinderen? Ik denk dat ik om een dochter meer zorgen heb dan om een zoon. En weet nu al dat ik - net als mijn moeder - over zestien jaar om 03.00 uur aan de keukentafel zit te wachten tot ze van het stappen thuiskomt. Ik weet ook dat oma dan van het lachen niet meer in slaapt valt, met haar ‘wacht maar tot je zelf een dochter hebt’.

„Waar zit je met je gedachten?”, zegt de vriend. Ik kijk naar het schermpje. Als een metaaldetector op zoek naar gouden munten, gaat het echoapparaat op zoek naar het vruchtje. Op de televisie zien we de baby - volgens mijn app nu de grootte van een papegaaiduiker. Een klein hoofd, een romp, twee armpjes… De verloskundige telt teentjes en vingers, lokaliseert de nieren en het hartje. Het is een film waar ik eeuwig naar kan blijven staren.

De film blijkt reclame te hebben.

„De baby is beweeglijk; ik kan niet alles zien”, zegt de verloskundige. „Ga maar eventjes wandelen, dan proberen we het straks nog eens.”

Een half uur later keren we terug en zien we ook de laatste scènes van de film. Gelukkig hoeven we niet naar Maastricht voor verder onderzoek; ons kindje is hartstikke gezond. En de baby blijkt, zoals in mijn dromen, inderdaad een hij te zijn.

„Het is gezond! Het is een zoon!”, zegt mijn vriend als we in de lift staan. In het kamertje zo blij zijn als een sprinkhaan, voelt toch een beetje als in een vol stadion juichen terwijl er nog geen doelpunt is gemaakt.

„Maar waar zat jij met je gedachten straks?”, zegt de vriend nadat we ons momentje hebben gehad. „Nergens hoor”, zeg ik. „Ik realiseerde me alleen dat ik niet een moeder word, maar er al eentje ben.”

Door Kristel Schreurs