In de trein met een tbs’er. Hoe begin je een gesprek?

Afbeelding: De Limburger

BLOG - Terwijl een tweede automonteur zich buigt over de gebrekkige software in mijn VW Polo, neem ik de trein naar mijn afspraak in Arnhem.

Niet van harte hoor. Grasmaaien is leuk, fietsen ook. Maar treinen vind ik drie keer niks. Het bakvissenzweet, de kans op vertraging en de twaalf-sardientjes-in-een-blik-erlebnis (waar ik vandaag 35 euro voor neerleg): ik vind het vervelend.

Toch is dat niet het ergste. Erger vind ik de mogelijkheid een oude bekende tegen het lijf te lopen. Zo’n type dat - hoe toevallig! - ook naar Arnhem Centraal moet en me gebiedt sociaal te zijn.

Zo’n type dat me belet doelloos uit het raam te staren en de krant te lezen.

Zo’n type dat heel graag een stuk van mijn koffiebroodje wil.

Zo’n type dat ik ken uit de tbs-kliniek.

Op het perron zie ik hem staan. Zijn slungelige gestalte, het verwilderde kapsel en het onmiskenbaar korte T-shirt (het lot van lange, slanke mensen): ik herken hem meteen. De briefschrijver. Alweer een jaar geleden ontmoette ik hem toen ik voor een reportage een dag op de gesloten afdeling van een tbs-kliniek verbleef. Een aardige, slimme vent, maar niet aardig en slim genoeg om zichzelf te behoeden voor het plegen van een ernstig delict. Hij zit al jaren in de kliniek en mag af en toe met verlof.

Ook vandaag.

Ik zie hem, maar hij ziet mij niet. En daar ben ik blij om. Deze man is er niet eentje met wie ik over koetjes en kalfjes wil praten. Hoe moet je überhaupt een gesprek beginnen met een tbs’er? ‘Hè, lekker vrij?’, ‘Wat heb je vandaag uitgespookt?’ Ik zou hele flauwe openingszinnen kunnen bedenken, maar dat doe ik niet. Zo flink ben ik immers niet. Ik heb mijn rug naar hem toegekeerd. Precies hetzelfde deed ik vorig jaar, toen hij me een brief schreef en vroeg of ik een boek met hem wilde schrijven.

De trein arriveert en de schuifdeuren gaan open. Hij loopt naar de achterste wagon en ik neem de voorste. Ik scan de ruimte en kies een plek bij het raam. Zou ik een plek in het gangpad kiezen, dan zou hij me meteen zien (het lot van lange, slanke mensen). De digitale krant is te klein om me achter te verschuilen en het koffiebroodje ook. Ik zit tegen het raam gedrukt en heb geen idee waar hij zich bevindt. Nog gekker vind ik het idee dat niemand in de trein weet wat ik weet. Het is net als die zorgvuldig achter de kaas verstopte zak M&M’s in de koelkast. Smikkelwaar waarvan alleen jij weet dat het er ligt.

Een halte verder komt de trein tot stilstand. De slungelige gestalte met het wilde kapsel stapt uit. Waar zou hij naartoe gaan? Mag hij nu vaker met onbegeleid verlof? Hoe vaak zat ik eerder, zonder het te weten, met een tbs’er in de trein? Wat als hij me had gezien? Zonder één woord met hem te hebben gewisseld houdt het me tot Arnhem bezig. Hopelijk heeft Miel Monteur mijn auto gemaakt.

Door Kristel Schreurs